Blogs

Bewegingsketens verlopen van proximaal naar distaal – hoe doe je dat bij typen?

Een groot deel van de patiënten die de fysiotherapeut bezoekt heeft klachten in de nek- en schoudergordel. De smartphone, tablet en te weinig bewegen worden vaak als oorzaak gezien van de klachten. Daarnaast is niet alleen wat je doet maar vooral de manier waarop je het doet een belangrijke factor die bepaalt of je klachten krijgt.

Een veel gestelde vraag van de patiënt is ‘hoe kan ik het beste mijn armen houden als ik op mijn telefoon, tablet of laptop zit?’ Vaak wordt dan geadviseerd om de bovenarmen langs het lichaam te laten hangen en de ellebogen of polsen op het bureau of de armsteunen te laten rusten. Het doel hiervan is om de schouderspieren te ontlasten. Dit lijkt logisch maar is het dat ook?

Een vrij algemeen uitgangspunt van fysiotherapeuten is dat een functionele bewegingsketen zou moeten verlopen van proximaal naar distaal (The proximal-to-distal sequence in upper-limb motions on multiple levels and time scales Ben Serriena, Jean-Pierre Baeyens, 2017). Maar verloopt een bewegingsketen nog van proximaal naar distaal als je de armen laat rusten?

Een belangrijk kenmerk van een armbeweging die verloopt van proximaal naar distaal is dat de beweging start in het glenohumeraal gewricht. Dus ook bij typen en muizen betekent dit dat de inzet van de beweging plaatsvindt in het glenohumeraal gewricht. Hierbij dienen de m. levator scapula en de m.trapezius p. descendens ontspannen te blijven. Dit lukt alleen als de wervelkolom in de fysiologisch natuurlijke curven wordt gehouden. De arm wordt dan primair opgetild en bewogen door de m. deltoideus en m. supraspinatus. Spant de m. trapezius en/of m. levator scapula alsnog aan dan klopt de bewegingsketen niet. De functie van deze spieren is namelijk cervicale extensie, lateroflexie en rotatie en elevatie van het schouderblad en dus niet abductie van de bovenarm (Spieren, Kendall/McCreary, 2012).

Als je bij het typen en muizen de armen langs je lichaam laat hangen en ellebogen of polsen ondersteunt dan schakel je het glenohumeraal gewricht en de daaromheen liggende spieren (rotatorcuff) uit. De typ- en muisbewegingen worden dan uitsluitend nog ingezet vanuit de onderarm en pols. Hiervoor worden voornamelijk de extensoren en flexoren in de onderarm aangesproken. Het meest proximale deel van de arm is het glenohumeraal gewricht. Als je bij een beweging van de armen voornamelijk de flexoren en extensoren van de onderarm gebruikt en probeert het glenohumeraal gewricht te ontlasten dan zet je de beweging dus distaal in.

Door de bovenarm te heffen in het glenohumeraal gewricht zal de onderarm tijdens typen en muizen iets meer gesupineerd worden. Hierdoor wordt de primaire elleboogflexor en supinator, de m. biceps brachii, betrokken in de bewegingsketen. De flexoren en extensoren van de onderarm kunnen nu samen met de intrinsieke handspieren de functie uitvoeren die nodig is voor tablet, smartphone en pc-werk.

Op deze manier kun je dus ook bij activiteiten die veel fijne motoriek vereisen zoals typen en muizen het bewegingsprincipe ‘bewegen van proximaal naar distaal’ toepassen.

Hoe controleer je als therapeut of de bewegingsketen van de arm goed verloopt? Dit kun je doen door de volgende stappen te nemen:

  • controleer of de wervelkolom in de fysiologische curven staat. Dit kun je doen door te palperen
  • palpeer de m. levator scapulea, m. rhomboideus en alle delen van de m. trapezius. Deze dienen ontspannen te zijn
  • laat de patiënt zijn arm optillen in het glenohumeraal gewricht en palpeer de m. Trapzius en de m. levator scapulea. De richting waarin de arm wordt opgetild (tussen anteflexie en abductie in) bepaald grotendeels of deze spieren ontspannen kunnen blijven.
Om te reageren dien je eerst in te loggen.

Heb je nog geen profiel? Registreer dan eerst om een nieuw profiel aan te maken.
Organisatie: Interfysiek
Functie: Mede-eigenaar
Home
Thema's
Werkgroepen
Deelnemers
Nieuws
Blogs
Kalender
Forum
Prikbord
Inloggen